Zelf akten maken
Waardeer uw notaris Zoek uw notaris

Uitspraak inzake waardering vordering in box 3

Een man overlijdt in 2011. In zijn testament heeft hij bepaald dat de helft van de geldvorderingen die zijn vier kinderen uit zijn eerste huwelijk op zijn echtgenote verkrijgen pas één jaar na zijn overlijden opeisbaar worden. Het resterende gedeelte is twee jaren na het overlijden van zijn vrouw opeisbaar. Mevrouw (langstlevende) is van mening dat bij het bepalen van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in haar IB-aangifte 2012 rekening moet worden gehouden met de schuld van ruim zeven ton aan de kinderen van de overledene. De inspecteur is van mening dat er sprake is van een niet-opeisbare schuld, zodat de schuld niet tot de rendementsgrondslag van box 3 hoort.

Rechtbank Zeeland - West-Brabant oordeelt dat de vorderingen en schulden op de peildatum (1 januari 2012) niet opeisbaar zijn en dan ook niet tot de grondslag sparen en beleggen behoren. Hieraan doet volgens de Rechtbank niet af dat ze korte tijd later wel opeisbaar worden. Dat volgt uit de wetsgeschiedenis van het per 1 januari 2012 gewijzigde art. 5.4 Wet IB 2001. Conform de bedoeling van de wetgever wordt de economisch belanghebbende bij het nagelaten vermogen in de belastingheffing betrokken. Het gelijk is aan de inspecteur.

(Rechtbank Zeeland - West-Brabant, AWB-14-1049, 17-07-2014).



18 Aug 2014


Waardeer het artikel Uitspraak inzake vordering in box 3




naar boven
Contact

Estate Plannings Juristen
Oldenzaalsestraat 125
7514 DP Enschede

t : 053 432 72 00
f : 053 431 34 24
e : info@estateplanningsjuristen.nl